Resistentiemanagement
Gewasbeschermingsmiddelen moeten met beleid worden toegepast. Niet alleen vanwege gezondheid en milieu, maar ook om ervoor te zorgen dat het middel in de toekomst zijn werking behoudt. Door ondoordacht gebruik kunnen ziekten, plagen en onkruiden resistent worden tegen het middel.
In de moderne land- en tuinbouw is chemische gewasbescherming onontbeerlijk. De middelen dragen er toe bij dat er een kwalitatief hoogstaand eindproduct wordt afgeleverd. Of sterker nog, ze helpen een misoogst voorkomen. Er zijn in Nederland rond de 700 middelen toegelaten voor de bestrijding van ziekten, plagen en onkruiden, gebaseerd op ongeveer 180 actieve stoffen. Deze stoffen zijn onder te verdelen in z.g. resistentiegroepen.
Middelen die tot dezelfde resistentiegroep behoren, hebben een zelfde werkingsmechanisme. En daar schuilt het gevaar: het veelvuldig gebruik van middelen uit dezelfde resistentiegroep kan leiden tot verminderde gevoeligheid van de te bestrijden ziekten, plagen en onkruiden voor de gewasbeschermingsmiddelen. Vooral in de aardappelteelt, fruitteelt en glastuinbouw is de kans op resistentie-opbouw groot.
| Erfelijk overdraagbaar |
| Resistentie is een erfelijk overdraagbare verlaging van de gevoeligheid voor een gewasbeschermingsmiddel. Een populatie ziekteverwekkers, plaagorganismen of onkruiden bestaat nooit uit genetisch exact gelijke exemplaren. Het ene exemplaar verschilt genetisch van het andere. Dat betekent dat de gevoeligheid voor een werkzame stof per exemplaar verschilt. In zo’n populatie zal bij toepassing van de stof de overgrote meerderheid het loodje leggen. Enkele zullen echter overleven. |
| Afwisselen |
| Wanneer steeds middelen uit dezelfde resistentiegroep worden gebruikt, wordt de ongevoelige groep blijvend ontzien. Het gevolg is dat deze groep zal uitbreiden binnen de populatie, waardoor de bestrijding steeds moeilijker wordt. Het voorkomen van een hoge selectiedruk is de belangrijkste manier om resistentie te voorkomen. Dat kan door een gerichte middelenkeuze. Dit komt erop neer dat voor bestrijding van een bepaalde ziekte, plaag of onkruid steeds middelen uit verschillende resistentiegroepen worden gebruikt. Die gerichte middelenkeuze is één van de steunpilaren van ‘resistentiemanagement’. |
| Middelen in blokken afwisselen |
| Ter voorkoming van resistentie is het beter enkele malen achtereen hetzelfde middel (of middelen uit dezelfde resistentiegroep) in te zetten. Zo wordt vermeden dat de cyclus van een schimmel of een insect met verschillende resistentiemechanismen wordt geconfronteerd, waardoor een snelle opbouw van resistentie mogelijk wordt. Spuit dus een middel een paar keer achtereen en neem dan pas een ander middel. |
| Mengen: liever niet! |
Bij het mengen van middelen bestaat het gevaar dat resistentie optreedt tegen verschillende resistentiegroepen tegelijk (‘multipele resistentie’). Ook wordt de slechte werking vanwege resistentie tegen een van de mengpartners mogelijk niet opgemerkt, waardoor het gevaar van multipele resistentie alleen maar toeneemt. Wordt er toch gemengd, zorg er dan voor dat:
|
| Niet resistentie-gevoelige middelen |
| Een bestrijdingsschema gebaseerd op niet resistentie-gevoelige middelen is natuurlijk ideaal. Bij fungiciden zijn dit bijvoorbeeld Moncereen en AAterra ME en preventieve middelen zoals Eupareen Multi en Previcur N. Bij de insecticiden zijn er weinig of geen voorbeelden. |
| Teeltmaatregelen en bedrijfshygiëne |
| Door teeltmaatregelen (bijv. gewasrotatie, niet overbodig bemesten) en bedrijfshygiëne kan de infectiedruk afnemen. Hierdoor zijn minder bestrijdingsmiddelen nodig. Dit vermindert de selectiedruk. |
| Nuttige insecten |
| Bij aanwezigheid van nuttige insecten hoeft minder vaak te worden gespoten. Dit kan door het actief inzetten van nuttige insecten (glastuinbouw, fruitteelt), maar ook door de keuze van gunstige spuitmomenten of middelen die de van nature aanwezige populatie nuttige insecten sparen. |
| Juiste doseringen en spuitintervallen |
| Vermijd te lage maar ook te hoge doseringen. Dit leidt tot problemen in de toekomst. Bij EBR’s is het bijvoorbeeld bekend, dat de toepassing van halve doseringen een snellere resistentie-opbouw laat zien, dan toepassingen met de volle etiketdosering. Bij te lange spuitintervallen kan zich een deel van een populatie herstellen en vermeerderen, waarna pas weer een toepassing plaatsvindt op de volgende generatie. Dit moet vermeden worden. |
| Resistentiemanagement is vooruitzien |
| Resistentiemanagement is meer dan afwisselen van middelen of beter middelen uit verschillende resistentiegroepen. Het is dus aan te raden om voorafgaand aan elk seizoen of elke teelt een plan van aanpak te maken, waarin wordt gekeken naar mogelijkheden als teeltmaatregelen, bedrijfshygiëne en inzet van nuttige insecten. Hierbij dient u dan ook vooraf te bedenken dat inzet van bepaalde nuttige insecten de mogelijkheden van ingrijpen met geïntegreerde middelen beperkt. Maak een plan en wacht niet tot u in het seizoen geen keuze meer heeft. |
| Aanvullende internationale informatie over resistentie management |
| Aanvullende informatie over internationale afspraken op het gebied van resistentie management is te vinden op de internet sites van het FRAC (Fungicide resistentie), IRAC (Insecticide resistentie) en HRAC (Herbicide resistentie). |
[ Laatst gewijzigd: vrijdag 24 juli 2009 ]







